lijken
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) lijk(ik) leek
(jij) lijkt; lijk (jij)(jij) leek
(u) lijkt(u) leek
(gij) lijkt(gij) leekt
(hij) lijkt(hij) leek
(wij) lijken(wij) leken
(jullie) lijken(jullie) leken
(zij) lijken(zij) leken
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
lijkeleke
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
lijklijkt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
lijkend(e)(hebben) geleken