lijden
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) lijd(ik) leed
(jij) lijdt; lijd (jij)(jij) leed
(u) lijdt(u) leed
(gij) lijdt(gij) leedt
(hij) lijdt(hij) leed
(wij) lijden(wij) leden
(jullie) lijden(jullie) leden
(zij) lijden(zij) leden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
lijdelede
Gebiedende wijs
lijd
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
lijdend(e)(hebben) geleden