liggen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) lig(ik) lag
(jij) ligt; lig (jij)(jij) lag
(u) ligt(u) lag
(gij) ligt(gij) laagt
(hij) ligt(hij) lag
(wij) liggen(wij) lagen
(jullie) liggen(jullie) lagen
(zij) liggen(zij) lagen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
liggelage
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
ligligt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
liggend(e)(hebben) gelegen