liegen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) lieg(ik) loog
(jij) liegt; lieg (jij)(jij) loog
(u) liegt(u) loog
(gij) liegt(gij) loogt
(hij) liegt(hij) loog
(wij) liegen(wij) logen
(jullie) liegen(jullie) logen
(zij) liegen(zij) logen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
liegeloge
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
liegliegt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
liegend(e)(hebben) gelogen