laden
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) laad(ik) laadde
(jij) laadt; laad (jij)(jij) laadde
(u) laadt(u) laadde
(gij) laadt(gij) laaddet
(hij) laadt(hij) laadde
(wij) laden(wij) laadden
(jullie) laden(jullie) laadden
(zij) laden(zij) laadden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
ladelaadde
Gebiedende wijs
laad
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
ladend(e)(hebben) geladen