kunnen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) kan(ik) kon
(jij) kan, kunt; kan, kun (jij)(jij) kon
(u) kan, kunt(u) kon
(gij) kan, kunt(gij) kondt
(hij) kan(hij) kon
(wij) kunnen(wij) konden
(jullie) kunnen(jullie) konden
(zij) kunnen(zij) konden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
kunnekonde
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
kunnend(e)(hebben) gekund