kruipen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) kruip(ik) kroop
(jij) kruipt; kruip (jij)(jij) kroop
(u) kruipt(u) kroop
(gij) kruipt(gij) kroopt
(hij) kruipt(hij) kroop
(wij) kruipen(wij) kropen
(jullie) kruipen(jullie) kropen
(zij) kruipen(zij) kropen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
kruipekrope
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
kruipkruipt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
kruipend(e)(hebben/zijn) gekropen

Examples:

Ik denk dat ik maar eens m'n bed in kruip en nog een beetje ga lezen.

In het zwakke maanlicht kroop hij verder.

Jonge rupsen blijven in het begin meestal in de buurt van de plaats waar ze uit het eitje gekropen zijn en voeden zich daar ook.

Met zijn kruipende groeiwijze is hij heel geschikt om snel de vijverrand te bedekken.

's Nachts kruipt hij uit het zand om eten te zoeken.

Ze kruipen weer uit hun holen.