krimpen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) krimp(ik) kromp
(jij) krimpt; krimp (jij)(jij) kromp
(u) krimpt(u) kromp
(gij) krimpt(gij) kromp
(hij) krimpt(hij) kromp
(wij) krimpen(wij) krompen
(jullie) krimpen(jullie) krompen
(zij) krimpen(zij) krompen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
klimpekrompe
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
krimpkrimpt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
krimpend(e)(zijn) gekrompen

Examples:

Als hout droogt dan krimpt het.

De Nederlandse visserijvloot hoeft niet te krimpen.

De wolk kromp door zijn eigen zwaartekracht in elkaar.

Het formaat mag dan gekrompen zijn, de prestaties zijn dat zeker niet.

Ze krompen in elkaar van angst.

Zo'n stelsel is niet bestand tegen vergrijzing en een krimpende bevolking.