krijten
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) krijt(ik) kreet
(jij) krijt(jij) kreet
(u) krijt(u) kreet
(gij) krijt(gij) kreet
(hij) krijt(hij) kreet
(wij) krijten(wij) kreten
(jullie) krijten(jullie) kreten
(zij) krijten(zij) kreten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
krijtekrete
Gebiedende wijs
krijt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
krijtend(e)(hebben) gekreten

Examples:

"Ach, als 'k dan toch moet sterven," kreet ze in verslagenheid, "vergun mij dan, dat ik er mij eerst op voorbereid."

Krijtend van pijn sloeg de aap de deur dicht, maar toen viel de vijzel op zijn bakkes.

Luid begon het te krijten en het was niet tot bedaren te brengen, zolang de tsjoenster pijnigde.

Van ons kan wel eens gezegd worden: hoe harder gekreten hoe sneller vergeten.