The conjugation of the verb krijsen

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) krijs(ik) krijste, krees
(jij) krijst; krijs (jij)(jij) krijste, krees
(hij) krijst(hij) krijste, krees
(wij) krijsen(wij) krijsten, kresen
(gij) krijst(gij) krijstet, kreest
(zij) krijsen(zij) krijsten, kresen
Aanvoegende wijs
(ik) krijse
(jij) krijse
(hij) krijse
(wij) krijsen
(gij) krijset
(zij) krijsen
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
krijskrijst
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
krijsend(e)(hebben) gekrijst, gekresen