krijsen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) krijs(ik) krijste, krees
(jij) krijst; krijs (jij)(jij) krijste, krees
(u) krijst(u) krijste, krees
(gij) krijst(gij) krijstet, kreest
(hij) krijst(hij) krijste, krees
(wij) krijsen(wij) krijsten, kresen
(jullie) krijsen(jullie) krijsten, kresen
(zij) krijsen(zij) krijsten, kresen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
krijsekrijste, krese
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
krijskrijst
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
krijsend(e)(hebben) gekrijst, gekresen

Examples:

Dat was heerlijk, maar onze zoon van 6 weken heeft de hele avond gekrijst.

De vogel rukte en trok, boos krijsend.

En in de haven, daar krijste een meeuw.

Hij krast, kreunt, kraait, rochelt en krijst zijn teksten en hij komt er mee weg als geen ander.

Ik zeg woorden na en krijs af en toe als ik aandacht wil hebben.

"Wat zal ze zeggen," krees boer Naas, "wanneer ik huiswaarts keer?"