kopen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) koop(ik) kocht
(jij) koopt; koop (jij)(jij) kocht
(u) koopt(u) kocht
(gij) koopt(gij) kocht
(hij) koopt(hij) kocht
(wij) kopen(wij) kochten
(jullie) kopen(jullie) kochten
(zij) kopen(zij) kochten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
kopekochte
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
koopkoopt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
kopend(e)(hebben) gekocht

Examples:

En wie er geen heeft, hij verkope zijn mantel en kope een zwaard.

Nee, ik koop geen nieuwe brommer meer, ik ben van plan een auto te kopen.

Rembrandt kocht zijn papier in bundeltjes afkomstig van een bepaalde papiermolen, gebruikte deze en kocht daarna weer een nieuw bundeltje.

Veelal betreft het hier villa's die gekocht zijn of bewoond worden door Ghanezen uit Europa en Amerika.

Wilt u een auto kopen?