komen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) kom(ik) kwam
(jij) komt; kom (jij)(jij) kwam
(u) komt(u) kwam
(gij) komt(gij) kwaamt
(hij) komt(hij) kwam
(wij) komen(wij) kwamen
(jullie) komen(jullie) kwamen
(zij) komen(zij) kwamen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
komekwame
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
komkomt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
komend(e)(hebben) gekomen

Examples:

De voorvaderen van Pieter Stuyvesant kwamen uit Dokkum.

Het aantal thuiswerkers neemt het komend jaar aanzienlijk toe.

Het was De Ruyter namelijk ter ore gekomen dat het landingsleger zich niet op de vijandelijke vloot bevond.

Hopelijk kom je zo vlot de winter door!

Ik kom als eerste aan bij het terras en zie een lege tafel in het midden.

Laat het niet zover komen!

Ruim een halve eeuw geleden kwaamt gij in ons leven.

Uw koninkrijk kome.