klimmen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) klim(ik) klom
(jij) klimt; klim (jij)(jij) klom
(u) klimt(u) klom
(gij) klimt(gij) klomt
(hij) klimt(hij) klom
(wij) klimmen(wij) klommen
(jullie) klimmen(jullie) klommen
(zij) klimmen(zij) klommen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
klimmeklomme
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
klimklimt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
klimmend(e)(hebben) geklommen

Examples:

De boommarter is een echte bosbewoner, die snel en soepel in de hoogste bomen klimt.

De grietjes klommen via de steiger omhoog.

Hij klom in de boom, plukte de appels en bracht ze naar de stad.

Klimop is een groenblijvende houtachtige, kruipende of klimmende plant.

Tijdens het eerste deel van de rit moet er een paar keer flink geklommen worden.

We klimmen verder naar boven.