|
|
Examples: De boommarter is een echte bosbewoner, die snel en soepel in de hoogste bomen klimt. De grietjes klommen via de steiger omhoog. Hij klom in de boom, plukte de appels en bracht ze naar de stad. Klimop is een groenblijvende houtachtige, kruipende of klimmende plant. Tijdens het eerste deel van de rit moet er een paar keer flink geklommen worden. We klimmen verder naar boven. |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||