kijven
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) kijf(ik) keef, kijfde
(jij) kijft; kijf (jij)(jij) keef, keeft
(u) kijft(u) keef, kijfde
(gij) kijft(gij) keeft, kijfdet
(hij) kijft(hij) keef, kijfde
(wij) kijven(wij) keven, kijfden
(jullie) kijven(jullie) keven, kijfden
(zij) kijven(zij) keven, kijfden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
kijvekeve, kijfde
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
kijfkijft
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
kijvend(e)(hebben) gekeven, gekijfd

Examples:

Die jammerende, knorrige en kijvende toon heb ik aan Boris Becker te danken.

En gekibbeld en gekijft wérd er.

En ze kijfden nog lang en gelukkig over niets.

Haar ouders gaven haar standjes, maar zij keef terug, dat zij haar eigen brood verdiende en eindelijk vrij was.

Over de identiteit van deze zonen is veel getwist en gekeven.

Waar twee kijven, hebben twee schuld.

"Wacht maar tot je vader thuiskomt," kijfde mijn tante.

Ze keven hier, ze keven daar.