kijken
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) kijk(ik) keek
(jij) kijkt; kijk (jij)(jij) keek
(u) kijkt(u) keek
(gij) kijkt(gij) keekt
(hij) kijkt(hij) keek
(wij) kijken(wij) keken
(jullie) kijken(jullie) keken
(zij) kijken(zij) keken
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
kijkekeke
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
kijkkijkt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
kijkend(e)(hebben) gekeken

Examples:

"Dat wilde ik niet zijn, maar gij keekt zo dwaas, dat ik het waarlijk niet helpen kon," antwoordde Meta, het eerste gedeelte van zijn verwijt onbeantwoord latende; want het was volkomen waar, dat zij hem vermeden had, gedachtig aan de Moffatspartij en de praatjes daarna.

Jeroen vraagt zich af naar welke televisieprogramma's zijn moeder heeft gekeken, kort voor haar overlijden.

Kijk nou 'ns wie daar binnen komt.

"Lekker geslapen?", vroeg Imogeen, hem strak in z'n ogen kijkend.

Men kijke ook eens naar het buitenland.

Men kijkt er niet echt van op.

Toch keken we met z'n allen naar de vogels in de hoop andere soorten te ontdekken.