jagen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) jaag(ik) jaagde, joeg
(jij) jaagt; jaag (jij)(jij) jaagde, joeg
(u) jaagt(u) jaagde, joeg
(gij) jaagt(gij) jaagde, joegt
(hij) jaagt(hij) jaagde, joeg
(wij) jagen(wij) jaagden, joegen
(jullie) jagen(jullie) jaagden, joegen
(zij) jagen(zij) jaagden, joegen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
jagejaagde, joege
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
jaagjaagt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
jagend(e)(hebben) gejaagd

Examples:

De dartele beesten joegen automobilisten de stuipen op het lijf langs de snelweg tussen Leeuwarden en Harlingen.

De sterke koersschommelingen joegen de optiepremies vandaag scherp omhoog.

Deze jagende wesp heeft met zijn steek een spin verlamd.

Maar als ik een plaatje opzet, jaag ik jou hier weg.

Op de meeste plaatsen kon op beide oevers gejaagd worden.

Ze moesten de vos uit zijn hol jagen en luid blaffen.

Ze visten, jaagden op wilde zwijnen, verzamelden eetbare planten en hielden vee.