houwen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) houw(ik) hieuw
(jij) houwt; houw (jij)(jij) hieuw
(u) houwt(u) hieuw
(gij) houwt(gij) hieuwt
(hij) houwt(hij) hieuw
(wij) houwen(wij) hieuwen
(jullie) houwen(jullie) hieuwen
(zij) houwen(zij) hieuwen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
houwe; (gij) houwethieuwe; (gij) hieuwet
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
houwhouwt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
houwend(e)(hebben) gehouwen

Examples:

En een van hen sloeg de dienstknecht van de hogepriester en hiew zijn rechteroor af.

Er zijn steensoorten die bijvoorbeeld asbest bevatten, daar houwen we maar liever niet in en ook de zandsteensoorten mogen alleen bewerkt worden als er ruim voldoende voorzorgsmaatregelen zijn genomen.

Ik kwam langs een beeld, een uit steen gehouwen hoofd geplaatst op een kegelvormige sokkel van marmer.

In deze groeve zelf hieuwen de steenhouwers alle treden, pilasters en versieringen, zoals blijkt uit een verklaring die ze in 1662 hebben afgelegd.