houden
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) hou, houd(ik) hield
(jij) houdt; hou, houd (jij)(jij) hield
(u) houdt(u) hield
(gij) houdt(gij) hieldt
(hij) houdt(hij) hield
(wij) houden(wij) hielden
(jullie) houden(jullie) hielden
(zij) houden(zij) hielden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
houde; (gij) houdethielde; (gij) hieldet
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
hou, houdhoudt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
houdend(e)(hebben) gehouden

Examples:

Daarnaast houden we er ook van veel tijd aan zee en strand door te brengen.

De voorzitter van een commissie is gehouden aan het bestuur en ledenvergadering te rapporteren over de verrichtingen van de commissie.

Gij hebt wel veel gezien, maar gij hieldt het niet in gedachtenis; gij hebt de oren wel open gehad, maar gij hebt niet gehoord.

Hou je hoofd erbij.

Ik hou niet zoveel van snoepen, maar 's avonds lekker veel eten vind ik echt heerlijk.

Ik zit hier al de hele dag en ik houd me bezig met het herschrijven van de gedichten die ik vorig jaar gemaakt heb.

Jan hield even zijn adem in van schrik.

Leg je handen op je borst en houd ze daar.

Men houde dat verschil in het oog.

Waren ze wat ouder, dan hielden ze toezicht op dienstmeisjes en ander personeel.