The conjugation of the verb hoeven

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) hoef(ik) hoefde
(jij) hoeft; hoef (jij)(jij) hoefde
(hij) hoeft(hij) hoefde
(wij) hoeven(wij) hoefden
(gij) hoeft(gij) hoefdet
(zij) hoeven(zij) hesen
Aanvoegende wijs
(ik) hoeve
(jij) hoeve
(hij) hoeve
(wij) hoeven
(gij) hoevet
(zij) hoeven
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
hoevend(e)(hebben) gehoeven, gehoeft