hoeven
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) hoef(ik) hoefde
(jij) hoeft; hoef (jij)(jij) hoefde
(u) hoeft(u) hoefde
(gij) hoeft(gij) hoefdet
(hij) hoeft(hij) hoefde
(wij) hoeven(wij) hoefden
(jullie) hoeven(jullie) hoefden
(zij) hoeven(zij) hoefden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
hoeve; (gij) hoevethoefde; (gij) hoefdet
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
hoevend(e)(hebben) gehoeven, gehoefd

Examples:

En de mannen hoefden zich niet te vervelen.

Nee, dit had voor mij niet gehoeven.

Onze vriendschap hoefdet gij niet met uw bezoek te storen.

Sedert september hoef ik op donderdag niet naar het werk.

Voor mij had dit niet gehoefd.

Zeg dat je niet hoeft te gaan, schat.