heten
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) heet(ik) heette
(jij) heet(jij) heette
(u) heet(u) heette
(gij) heet(gij) heettet
(hij) heet(hij) heette
(wij) heten(wij) heetten
(jullie) heten(jullie) heetten
(zij) heten(zij) heetten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
hete; (gij) hetetheette; (gij) heettet
Gebiedende wijs
heet
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
hetend(e)(hebben) geheten

Examples:

Als ik Suzanne of Marieke had geheten, hoe had ik mijn weblog dan moeten noemen?

Er kwamen al snel mensen naar me toe die me welkom heetten.

Hoeveel katten heb je en hoe heten ze?

Ik heet u allen welkom.

Ze stelde zich voor en zei dat ze Daphne heette.