heffen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) hef(ik) hief
(jij) heft; hef (jij)(jij) hief
(u) heft(u) hief
(gij) heft(gij) hieft
(hij) heft(hij) hief
(wij) heffen(wij) hieven
(jullie) heffen(jullie) hieven
(zij) heffen(zij) hieven
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
heffe; (gij) heffethieve; (gij) hievet
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
hefheft
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
heffend(e)(hebben) geheven

:

De gemeente heft belasting voor het gebruik van de begraafplaats en voor het verlenen van diensten hieromtrent.

Gij hieft haar lichaam zo hoog, dat het enkel met kop en staart de aarde bleef raken en dat het met zijn rug tot de hemel reikte.

Ik hef mijne ogen op tot u, die in de hemelen zit.

Tezamen hieven wij het glas op Richards gezondheid.

Waarom wordt er geen accijns op kerosine geheven?