hebben
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) heb(ik) had
(jij) hebt; heb (jij)(jij) had
(u) hebt, heeft(u) had
(gij) hebt(gij) hadt
(hij) heeft(hij) had
(wij) hebben(wij) hadden
(jullie) hebben(jullie) hadden
(zij) hebben(zij) hadden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
hebbe; (gij) hebbethadde; (gij) haddet
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
hebhebt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
hebbend(e)(hebben) gehad

:

Als je geluk hebt, zijn er meerdere managers in je geïnteresseerd.

Als u een klacht heeft, dan horen wij dat graag van u.

En ja, eindelijk had ik een goede nachtrust en werd ik om half tien uitgerust wakker.

Gij hadt toch ook geen echte reden om mij koekjes te sturen?

God hebbe zijn ziel.

Heb je het al gehoord?

Ik heb nog geen persoonlijk dossier.

Och, mijnheer, haddet gij het kunnen zien, wat zij uit enkel liefde voor ons deed!

Thor begreep dan de oorzaak van het gerucht dat ze de hele vorige nacht hadden gehoord, en hij omgordde zich met de gordel, die zijn goddelijke kracht verdubbelde.