The conjugation of the verb hangen

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) hang(ik) hing
(jij) hangt; ding (jij)(jij) hing
(hij) hangt(hij) hing
(wij) hangen(wij) hingen
(gij) hangt(gij) hingt
(zij) hangen(zij) hingen
Aanvoegende wijs
(ik) hange
(jij) hange
(hij) hange
(wij) hangen
(gij) hanget
(zij) hangen
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
hanghangt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
hangend(e)(hebben) gehangen