hangen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) hang(ik) hing
(jij) hangt; hang (jij)(jij) hing
(u) hangt(u) hing
(gij) hangt(gij) hingt
(hij) hangt(hij) hing
(wij) hangen(wij) hingen
(jullie) hangen(jullie) hingen
(zij) hangen(zij) hingen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
hange; (gij) hangethinge; (gij) hinget
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
hanghangt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
hangend(e)(hebben) gehangen

:

Hij mag dan zijn godsdienstige overtuiging aan de kapstok hebben gehangen, zijn zwartwitwereldbeeld is nog steeds intact.

Hoe helder een hemellichaam lijkt te zijn hangt van veel dingen af.

Ik hang mijn jas aan een haakje, pak de krant en sla hem open.

Meen niet dat ik dit uit eigene beweging doe, want als ik had willen handelen naar de inspraak van mijn hart, dan hingt gij nu reeds aan een boomtak.

Men neme de kleren en men hange ze op aan een draad of wasrek op een plaats waar het noch regent noch vriest.

Op de stoel die in een hoek van zijn kamer stond hingen zijn kleren voor de volgende dag.