The conjugation of the verb grijpen

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) grijp(ik) greep
(jij) grijpt; grijp (jij)(jij) greep
(hij) grijpt(hij) greep
(wij) grijpen(wij) grepen
(gij) grijpt(gij) greept
(zij) grijpen(zij) grepen
Aanvoegende wijs
(ik) grijpe
(jij) grijpe
(hij) grijpe
(wij) grijpen
(gij) grijpet
(zij) grijpen
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
grijpgrijpt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
grijpend(e)(hebben) gegrepen