graven
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) graaf(ik) groef
(jij) graaft; graaf (jij)(jij) groef
(u) graaft(u) groef
(gij) graaft(gij) groeft
(hij) graaft(hij) groef
(wij) graven(wij) groeven
(jullie) graven(jullie) groeven
(zij) graven(zij) groeven
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
grave; (gij) gravetgroeve; (gij) groevet
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
graafgraaft
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
gravend(e)(hebben) gegraven

:

Binnen het uur werden ze versterkt met parachutisten en groeven ze zich in, waardoor ze verschillende Duitse tegenaanvallen afsloegen.

Ik graaf liever 10 keer voor niks dan dat ik één ring laat liggen.

Deze konijnachtige, gravende dieren die stammen uit het Vroeg-Tertiair kwamen voor in oostelijk Azië.

Waar nu wordt gegraven, wordt straks gebouwd.

Wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in.