The conjugation of the verb graven

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) graaf(ik) groef
(jij) graaft; graaf (jij)(jij) groef
(hij) graaft(hij) groef
(wij) graven(wij) groeven
(gij) graaft(gij) groeft
(zij) graven(zij) groeven
Aanvoegende wijs
(ik) grave
(jij) grave
(hij) grave
(wij) graven
(gij) gravet
(zij) graven
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
graafgraaft
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
gravend(e)(hebben) gegraven