The conjugation of the verb glimmen

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) glim(ik) glom
(jij) glimt; glim (jij)(jij) glom
(hij) glimt(hij) glom
(wij) glimmen(wij) glommen
(gij) glimt(gij) glomt
(zij) glimmen(zij) glommen
Aanvoegende wijs
(ik) glimme
(jij) glimme
(hij) glimme
(wij) glimmen
(gij) glimmet
(zij) glimmen
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
glimglimt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
glimmend(e)(hebben) geglommen