The conjugation of the verb "glijden"

glijden
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) glij, glijd(ik) gleed
(jij) glijdt; glij, glijd (jij)(jij) gleed
(u) glijdt(u) gleed
(gij) glijdt(gij) gleedt
(hij) glijdt(hij) gleed
(wij) glijden(wij) gleden
(jullie) glijden(jullie) gleden
(zij) glijden(zij) gleden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
glijde; (gij) glijdetglede; (gij) gledet
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
glijd, glijglijdt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
glijdend(e)(hebben/zijn) gegleden

Examples:

De sneeuw, die als een deken over de steile helling lag, vertoonde sporen alsof iets van boven naar beneden was gegleden.

Ik glij langzaam naar beneden, en mijn benen beginnen te trillen van opwinding.

Mijn hand glijdt over haar hals naar de opening van haar bloes.

Niemand glijde over dit bezwaar heen.

Toen de pudding op was en Leo even naar het toilet wilde gaan, gleed zijn blik weer langs de oude man in de hoek.

Tot overmaat van ramp glijd ik uit op een schuin stuk.

Voor de zoveelste keer die dag gleden zijn ogen over de strook papier die voor hem lag.