The conjugation of the verb glijden

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) glij, glijd(ik) gleed
(jij) glijdt; glij, glijd (jij)(jij) gleed
(hij) glijdt(hij) gleed
(wij) glijden(wij) gleden
(gij) glijdt(gij) gleedt
(zij) glijden(zij) gleden
Aanvoegende wijs
(ik) glijde
(jij) glijde
(hij) glijde
(wij) glijden
(gij) glijdet
(zij) glijden
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
glij, glijdglijdt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
glijdend(e)(hebben1/zijn2) gegleden

1 static action

Example: De kinderen hebben tot de avond over het ijs gegleden.

2 dynamic action

Example: Hij was van het dak gegleden.