The conjugation of the verb "gieten"

gieten
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) giet(ik) goot
(jij) giet(jij) goot
(u) giet(u) goot
(gij) giet(gij) goot
(hij) giet(hij) goot
(wij) gieten(wij) goten
(jullie) gieten(jullie) goten
(zij) gieten(zij) goten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
giete; (gij) gietetgote; (gij) gotet
Gebiedende wijs
giet
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
gietend(e)(hebben) gegoten

Examples:

Brons kan dus veel gemakkelijker gegoten en bewerkt worden dan koper.

Dan gieten we het andere water erbij.

Giet de thee door een theezeefje in een kop en voeg eventueel honing toe om de thee te zoeten.

Hij goot zijn brouwsel in een heel klein flesje en borg het zorgvuldig op.

Men giete over regenwormen een mengsel van gestampte saffraan, honig en reigervet; en nadat ze aldus enige uren gestaan hebben visse men met deze wormen.

Ze goten een gesmolten mengsel van zand en soda op een steen.