|
|
The conjugation of the verb "geven"
Examples: Al gaaft gij mij de helft van uw huis, zo zou ik niet met u gaan, en ik zou in deze plaats geen brood eten, noch water drinken. Het geeft niet dat je mij het liefste nu verrot zou slaan. Jou geef ik geen hand Men geve allereerst zijn tijd en kracht aan het grote socialistische werk. Men moet een gegeven paard niet in de bek kijken. Vroeger gaf ik een verhaal nog wel eens een open einde. We gaven hun de extra waterflessen die we uit onze kamer hadden meegenomen. Zijn conclusie geeft te denken. |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||