The conjugation of the verb "geven"

geven
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) geef(ik) gaf
(jij) geeft; geef (jij)(jij) gaf
(u) geeft(u) gaf
(gij) geeft(gij) gaaft
(hij) geeft(hij) gaf
(wij) geven(wij) gaven
(jullie) geven(jullie) gaven
(zij) geven(zij) gaven
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
geve; (gij) gevetgave; (gij) gavet
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
geefgeeft
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
gevend(e)(hebben) gegeven

Examples:

Al gaaft gij mij de helft van uw huis, zo zou ik niet met u gaan, en ik zou in deze plaats geen brood eten, noch water drinken.

Het geeft niet dat je mij het liefste nu verrot zou slaan.

Jou geef ik geen hand

Men geve allereerst zijn tijd en kracht aan het grote socialistische werk.

Men moet een gegeven paard niet in de bek kijken.

Vroeger gaf ik een verhaal nog wel eens een open einde.

We gaven hun de extra waterflessen die we uit onze kamer hadden meegenomen.

Zijn conclusie geeft te denken.