The conjugation of the verb geven

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) geef(ik) gaf
(jij) geeft; geef (jij)(jij) gaf
(hij) geeft(hij) gaf
(wij) geven(wij) gaven
(gij) geeft(gij) gaaft
(zij) geven(zij) gaven
Aanvoegende wijs
(ik) geve
(jij) geve
(hij) geve
(wij) geven
(gij) gevet
(zij) geven
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
geefgeeft
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
gevend(e)(hebben) gegeven