The conjugation of the verb genezen

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) genees(ik) genas
(jij) geneest; genees (jij)(jij) genas
(hij) geneest(hij) genas
(wij) genezen(wij) genazen
(gij) geneest(gij) genaast
(zij) genezen(zij) genazen
Aanvoegende wijs
(ik) geneze
(jij) geneze
(hij) geneze
(wij) genezen
(gij) genezet
(zij) genezen
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
geneesgeneest
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
genezend(e)(hebben1/zijn2) genezen


Notes

1 transitive

Example: Die kuur heeft haar niet genezen.

2 intransitive

Example: Hij is zonder behandeling genezen.