The conjugation of the verb "genezen"

genezen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) genees(ik) genas
(jij) geneest; genees (jij)(jij) genas
(u) geneest(u) genas
(gij) geneest(gij) genaast
(hij) geneest(hij) genas
(wij) genezen(wij) genazen
(jullie) genezen(jullie) genazen
(zij) genezen(zij) genazen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
geneze; (gij) genezetgenaze; (gij) genazet
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
geneesgeneest
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
genezend(e)(zijn/hebben) genezen

Examples:

Dat betekent niet dat de wonden helemaal zijn genezen.

Heer, mijn god, ik kreet tot u en gij genaast mij.

Hij genas zieken, maakte dat een lamme weer kon lopen en dat een blinde weer kon zien.

Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard, opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en ik hen geneze.

Hoe geneest een wondje?

Maar daarna kreeg ik nog eens hoge koorts, keelpijn, wondjes die niet genazen en gewrichtsontsteking.

Sinds het oude Egypte wordt zij gebruikt om haar genezende eigenschappen.