The conjugation of the verb "gelden"

gelden
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) geld(ik) gold
(jij) geldt; geld(jij) gold
(u) geldt(u) gold
(gij) geldt(gij) goldt
(hij) geldt(hij) gold
(wij) gelden(wij) golden
(jullie) gelden(jullie) golden
(zij) gelden(zij) golden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
gelde; (gij) geldetgolde; (gij) goldet
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
geldend(e)(hebben) gegolden

Examples:

In Nederland heeft eerst nog de Amsterdamse tijd gegolden.

Maar dat geldt nog niet voor alle tests die uitgevoerd moeten worden.

Voor kamers gold dat systeem niet.

Welke regels gelden als u in Nederland wilt werken?