The conjugation of the verb "fluiten"

fluiten
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) fluit(ik) floot
(jij) fluit(jij) floot
(u) fluit(u) floot
(gij) fluit(gij) floot
(hij) fluit(hij) floot
(wij) fluiten(wij) floten
(jullie) fluiten(jullie) floten
(zij) fluiten(zij) floten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
fluite; (gij) fluitetflote; (gij) flotet
Gebiedende wijs
fluit
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
fluitend(e)(hebben) gefloten

Pronunciation key:

Als hij weer naar huis wilde, floot hij op zijn vingers.

De bijen zoemden en de vogeltjes floten.

Hij fluit af, geeft de inwerper een waarschuwing wegens onbehoorlijk gedrag en laat de tegenpartij inwerpen.

Lopend naar huis, fluit ik vrolijk een deuntje.

Maar dat maakte al diepe indruk op het tweetal, dat sinds twee jaar samen fluitend door het leven gaan.

Vroeger werd gezongen en gefloten in de straat, had de slagersjongen nog een opera paraat.