The conjugation of the verb "eten"

eten
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) eet(ik) at
(jij) eet(jij) at
(u) eet(u) at
(gij) eet(gij) at
(hij) eet(hij) at
(wij) eten(wij) aten
(jullie) eten(jullie) aten
(zij) eten(zij) aten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
ete; (gij) etetate; (gij) atet
Gebiedende wijs
eet
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
etend(e)(hebben) gegeten

Examples:

Breng mij toch een stuk wild en bereid mij een smakelijk gerecht, opdat ik ete, en ik zal u voor mijn dood zegenen voor het aangezicht van de Eeuwige.

De soep wordt niet zo heet gegeten, als ze wordt opgediend

Ik vind vlees echt niet lekker, en vis eet ik maar zelden.

Maar sommige mensen aten van de besjes van de plant en van de bladeren.

Wat hij at en dronk gedurende deze tocht, laat zich niet beschrijven.

Zij eten rijst, bami en loempia's gevuld met bonen, uien, kool en champignons.