|
|
The conjugation of the verb "eten"
Examples: Breng mij toch een stuk wild en bereid mij een smakelijk gerecht, opdat ik ete, en ik zal u voor mijn dood zegenen voor het aangezicht van de Eeuwige. De soep wordt niet zo heet gegeten, als ze wordt opgediend Ik vind vlees echt niet lekker, en vis eet ik maar zelden. Maar sommige mensen aten van de besjes van de plant en van de bladeren. Wat hij at en dronk gedurende deze tocht, laat zich niet beschrijven. Zij eten rijst, bami en loempia's gevuld met bonen, uien, kool en champignons. |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||