The conjugation of the verb dwingen

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) dwing(ik) dwong
(jij) dwingt; dwing (jij)(jij) dwong
(hij) dwingt(hij) dwong
(wij) dwingen(wij) dwongen
(gij) dwingt(gij) dwongt
(zij) dwingen(zij) dwongen
Aanvoegende wijs
(ik) dwinge
(jij) dwinge
(hij) dwinge
(wij) dwingen
(gij) dwinget
(zij) dwingen
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
dwingdwingt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
dwingend(e)(hebben) gedwongen