|
|
The conjugation of the verb "durven"
Examples: Dat kondt en dat durfdet gij niet. Durft u het risico aan? Europa moet durven geloven in zijn eigen droom. Ieder jaar was hij dat van plan geweest, maar telkens durfde hij niet. Ik durf nog steeds niet te juichen. Ik heb dat in die tijd nooit gedurfd. We dorsten niet verder te gaan en bleven achter het hek staan, om de voor ons zwevende twee grote zilverreigers niet te storen. Zelfs dat dorst hij te zeggen. |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||