The conjugation of the verb "durven"

durven
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) durf(ik) durfde, dorst
(jij) durft; durf (jij)(jij) durfde, dorst
(u) durft(u) durfde, dorst
(gij) durft(gij) durfdet, dorst
(hij) durft(hij) durfde, dorst
(wij) durven(wij) durfden, dorsten
(jullie) durven(jullie) durfden, dorsten
(zij) durven(zij) durfden, dorsten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
durve; (gij) durvetdurfde, dorste; (gij) durfdet, dorstet
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
durfdurft
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
durvend(e)(hebben) gedurfd

Examples:

Dat kondt en dat durfdet gij niet.

Durft u het risico aan?

Europa moet durven geloven in zijn eigen droom.

Ieder jaar was hij dat van plan geweest, maar telkens durfde hij niet.

Ik durf nog steeds niet te juichen.

Ik heb dat in die tijd nooit gedurfd.

We dorsten niet verder te gaan en bleven achter het hek staan, om de voor ons zwevende twee grote zilverreigers niet te storen.

Zelfs dat dorst hij te zeggen.