The conjugation of the verb "druipen"

druipen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) druip(ik) droop
(jij) druipt; drink (jij)(jij) droop
(u) druipt(u) droop
(gij) druipt(gij) droopt
(hij) druipt(hij) droop
(wij) druipen(wij) dropen
(jullie) druipen(jullie) dropen
(zij) druipen(zij) dropen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
druipe; (gij) druipetdrope; (gij) dropet
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
druipdruipt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
druipend(e)(hebben/zijn) gedropen

Examples:

Deze hars is miljoenen jaren geleden uit de bomen gedropen en daarna versteend.

Enigszins verslagen dropen we weer af.

Met haar van geil druipende spleet zat ze bovenop de leuter van Kees.

Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid.

Vervolgens druipt de olie terug in het carter.

Zowel de boven- als de onderkant van de bladeren goed bevochtigen: sproeien totdat de vloeistof van de plant begint af te druipen.