The conjugation of the verb "drinken"

drinken
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) drink(ik) dronk
(jij) drinkt; drink (jij)(jij) dronk
(u) drinkt(u) dronk
(gij) drinkt(gij) dronkt
(hij) drinkt(hij) dronk
(wij) drinken(wij) dronken
(jullie) drinken(jullie) dronken
(zij) drinken(zij) dronken
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
drinke; (gij) drinketdronke; (gij) dronket
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
drinkdrinkt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
drinkend(e)(hebben) gedronken

Examples:

De hoeveelheid water die een koe drinkt is onder andere afhankelijk van de melkproductie.

Ik drink thee en koffie zonder suiker!

In de Bijbel wordt er al over gesproken, en de Romeinen dronken wijn, die met ingedikte most zoet was gemaakt.

Nu echter dronkt ge alleen de fles leeg, onbewust.

Wat drink je meestal bij het avondeten?

Weet je wat ik zie als ik gedronken heb?

Wel lopen kinderen met een drinkende vader vaak tegen dezelfde problemen aan.

Wie dorst heeft, die kome en drinke!