The conjugation of the verb dringen

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) dring(ik) drong
(jij) dringt; dring (jij)(jij) drong
(hij) dringt(hij) drong
(wij) dringen(wij) drongen
(gij) dringt(gij) drongt
(zij) dringen(zij) drongen
Aanvoegende wijs
(ik) dringe
(jij) dringe
(hij) dringe
(wij) dringen
(gij) dringet
(zij) dringen
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
dringdringt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
dringend(e)(hebben1/zijn2) gedrongen


Notes

1 transitive

Example: Ze hebben hem in een hoek gedrongen.

2 intransitive

Example: Er is wat water door de bodem gedrongen.