The conjugation of the verb "dringen"

dringen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) dring(ik) drong
(jij) dringt; dring (jij)(jij) drong
(u) dringt(u) drong
(gij) dringt(gij) drongt
(hij) dringt(hij) drong
(wij) dringen(wij) drongen
(jullie) dringen(jullie) drongen
(zij) dringen(zij) drongen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
dringe; (gij) dringetdronge; (gij) dronget
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
dringdringt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
dringend(e)(hebben/zijn) gedrongen

Examples:

En de tijd dringt want hoe langer we wachten met onze maatregelen, hoe duurder die worden.

Het zijn de sporen van de Scandinavische gletsjer die zich tot vier keer toe een weg drong naar dit gebied.

Ik had me al gauw naar voren gedrongen, bijna tot aan de rand van het graf.

Voor dringende zaken kan je ook terecht op het nummer 101.

Ze drongen er zelfs op aan dat ik een advocaat zou raadplegen.