The conjugation of the verb drijven

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) drijf(ik) dreef
(jij) drijf; drijf (jij)(jij) dreef
(hij) drijf(hij) dreef
(wij) drijven(wij) dreven
(gij) drijft(gij) dreeft
(zij) drijten(zij) dreven
Aanvoegende wijs
(ik) drijve
(jij) drijve
(hij) drijve
(wij) drijven
(gij) drijvet
(zij) drijven
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
drijfdrijft
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
drijvend(e)(hebben1/zijn2) gedreven


Notes

1 transitive or intransitive (if the starting of terminal point of a movement is not indicated)

Example: De cowboys hebben het vee door het dal gedreven.

Example: Hij had drie dagen op zee gedreven.

2 intransitive (if the starting of terminal point of a movement is indicated)

Example: Vannacht is het vlot naar de oever gedreven.