The conjugation of the verb "drijven"

drijven
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) drijf(ik) dreef
(jij) drijft; drijf (jij)(jij) dreef
(u) drijft(u) dreef
(gij) drijft(gij) dreeft
(hij) drijft(hij) dreef
(wij) drijven(wij) dreven
(jullie) drijven(jullie) dreven
(zij) drijven(zij) dreven
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
drijve; (gij) drijvetdreve; (gij) drevet
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
drijfdrijft
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
drijvend(e)(hebben/zijn) gedreven

Examples:

Een van de attracties op het meer is het drijvende dorp.

Er drijven wolken boven ons voorbij.

Er werd handel gedreven met zowel de kapitalistische als de socialistische wereld.

Het onweer dreef wel het land op maar nam flink af in intensiteit.

Verder stichtten vikingen belangrijke handelssteden als Novgorod en Kiëv en dreven ze vanuit Rusland handel met Constantinopel.

Wat drijft u in het leven?