The conjugation of the verb "dragen"

dragen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) draag(ik) droeg
(jij) draagt; draag (jij)(jij) droeg
(u) draagt(u) droeg
(gij) draagt(gij) droegt
(hij) draagt(hij) droeg
(wij) dragen(wij) droegen
(jullie) dragen(jullie) droegen
(zij) dragen(zij) droegen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
drage; (gij) dragetdroege; (gij) droeget
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
draagdraagt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
dragend(e)(hebben) gedragen

Examples:

Het verwijderen van een dragende muur of het aanbrengen van een opening in een dragende muur is alleen mogelijk als er voldoende steun overblijft voor het dak of de verdieping die op de muur rust.

Onze koffers worden door dragers naar de boot gedragen.

Ook wij dragen graag een steentje bij aan een beter leefmilieu.

Veertig jaar liet ik u door de woestijn trekken; de klederen die gij droegt zijn niet versleten evenmin als de schoenen aan uw voeten.

Wat draag jij in de zomer?

Ze droeg niets anders meer dan haar witte satijnen behaatje en haar degelijke witte slipje.