The conjugation of the verb dragen

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) draag(ik) droeg
(jij) draagt; draag (jij)(jij) droeg
(hij) draagt(hij) droeg
(wij) dragen(wij) droegen
(gij) draagt(gij) droegt
(zij) dragen(zij) droegen
Aanvoegende wijs
(ik) drage
(jij) drage
(hij) drage
(wij) dragen
(gij) draget
(zij) dragen
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
draagdraagt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
dragend(e)(hebben) gedragen