The conjugation of the verb "denken"

denken
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) denk(ik) dacht
(jij) denkt; denk (jij)(jij) dacht
(u) denkt(u) dacht
(gij) denkt(gij) dacht
(hij) denkt(hij) dacht
(wij) denken(wij) dachten
(jullie) denken(jullie) dachten
(zij) denken(zij) dachten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
denke; (gij) denketdachte; (gij) dachtet
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
denkdenkt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
denkend(e)(hebben) gedacht

Examples:

Dat het virus besmettelijker is dan gedacht, kwam al eerder naar voren uit onderzoek.

De een ziet ongehoorzaamheid als uiting van een zelfstandig denkende geest, de ander ziet het als bedreiging van het ouderlijk gezag.

De klant denkt dan een goede keuze te hebben gemaakt, maar is gewoon bedrogen door de adviseur die alleen aan zijn eigen portemonnee denkt.

Hij dacht aan het oude gezegde van de vos die wel zijn haren verliest, maar niet zijn streken, en dacht toen aan kaas!

Hoe dachten adel en geestelijken over boeren in de Middeleeuwen?

Ik denk dat in dit verhaal wel lering en vermaak verschaft.

Men denke bijvoorbeeld aan schizofrenie, manie of dissociatie.