The conjugation of the verb "delven"

delven
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) delf(ik) dolf, delfde
(jij) delft; delf (jij)(jij) dolf, delfde
(u) delft(u) dolf, delfde
(gij) delft(gij) dolft, delfdet
(hij) delft(hij) dolf, delfde
(wij) delven(wij) dolven, delfden
(jullie) delven(jullie) dolven, delfden
(zij) delven(zij) dolven, delfden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
delve; (gij) delvetdolve, delfde; (gij) dolvet, delfdet
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
delfdelft
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
delvend(e)(hebben) gedolven

Examples:

Al 2800 jaar geleden werd er diamant gedolven in India.

De Inca's delfden reeds erts in de ‘cerro rico’ oftewel ‘de rijke berg’.

In de stemming die hierop volgde, dolf Nederland het onderspit.

In een erg sterke en spannende partij delfde Robin nipt het onderspit met 4-3.

We dolven een vrij diep graf, enkele tientallen meters van de weg tussen laag struikgewas, pakten hem uit en begroeven hem.

Zo zijn er plannen om de bruikbare stoffen op de Maan te delven.