The conjugation of the verb brouwen

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) brouw(ik) brouwde
(jij) brouwt; brouw (jij)(jij) brouwde
(hij) brouwt(hij) brouwde
(wij) brouwen(wij) brouwden
(gij) brouwt(gij) brouwdet
(zij) brouwen(zij) brouwden
Aanvoegende wijs
(ik) brouwe
(jij) brouwe
(hij) brouwe
(wij) brouwen
(gij) brouwet
(zij) brouwen
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
brouwbrouwt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
brouwend(e)(hebben) gebrouwen1, gebrouwd2


Notes

1 to brew

Example: Hij heeft een goed bier gebrouwen.

2 to speak with a burr

Example: Wat zijn uitspraak betreft, hij heeft altijd gebrouwd.