The conjugation of the verb "brouwen"

brouwen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) brouw(ik) brouwde
(jij) brouwt; brouw (jij)(jij) brouwde
(u) brouwt(u) brouwde
(gij) brouwt(gij) brouwdet
(hij) brouwt(hij) brouwde
(wij) brouwen(wij) brouwden
(jullie) brouwen(jullie) brouwden
(zij) brouwen(zij) brouwden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
brouwe; (gij) brouwetbrouwde; (gij) brouwdet
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
brouwbrouwt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
brouwend(e)(hebben) gebrouwen1, gebrouwd2

1 to brew beverages or potions

2 to cause; to speak with a burr


Examples (1):

De drie bieren die toen gebrouwen werden waren voornamelijk bedoeld voor de export naar Amerika, Canada, Australië en Japan.

Dit motief leeft nog voort in de bekende serie Asterix en Obelix waarin de druïde Panoramix de drank brouwt die de Galliërs onoverwinnelijk maakt.

Voor hun onderzoek brouwden zij op identieke wijze een aantal bieren met een verschillende stort.

Examples (2):

Een woord te veel heeft altijd kwaad gebrouwd.

Sommige lieden van wie men zegt, dat zij brouwen, brengen niet de tong, maar de huig in trillende beweging.