The conjugation of the verb "brengen"

brengen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) breng(ik) bracht
(jij) brengt; breng (jij)(jij) bracht
(u) brengt(u) bracht
(gij) brengt(gij) bracht
(hij) brengt(hij) bracht
(wij) brengen(wij) brachten
(jullie) brengen(jullie) brachten
(zij) brengen(zij) brachten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
brenge; (gij) brengetbrachte; (gij brachtet
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
brengbrengt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
brengend(e)(hebben) gebracht

Examples:

Ik ben niet bijgelovig, want dat brengt ongeluk.

Probeer kort samen te vatten welke verschillende meningen er in de discussie naar voren gebracht zijn.

Vele tentoonstellingen in en buiten India brachten zijn grote talent en boeiende schilderkunst onder de aandacht van kunstliefhebbers.

Wanneer breng ik het best mijn werkgever op de hoogte van mijn zwangerschap?

We brengen ook nog een bezoekje aan een kleine moskee.

Wie onder ulieden de Heer een offer wil brengen, brenge het van het vee, van runderen en van schapen.