The conjugation of the verb "breken"

breken
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) breek(ik) brak
(jij) breekt; breek (jij)(jij) brak
(u) breekt(u) brak
(gij) breekt(gij) braakt
(hij) breekt(hij) brak
(wij) breken(wij) braken
(jullie) breken(jullie) braken
(zij) breken(zij) braken
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
breke; (gij) breketbrake; (gij) braket
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
breekbreekt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
brekend(e)(hebben/zijn) gebroken

Examples:

Anderzijds breken wij voor een deel met de traditie.

Dat was echt niet overbodig, want hier en daar braken stukken muur af.

Een ieder die de naam van Jehovah noemt, breke met onrechtvaardigheid.

Gaat u nu maar weer fijn stofzuigen of ramen lappen en breek uw mooie hoofdje niet over zaken die mannen aangaan.

Gij teldet de huizen van Jeruzalem, en gij braakt huizen af om de muur ontoegankelijk te maken.

In welk jaar brak hij door?

Jij kunt ons helpen de database helemaal werkend te houden door een gebroken link aan ons te melden.

Nood breekt wet.