The conjugation of the verb "braden"

braden
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) braad(ik) braadde
(jij) braadt; braad (jij)(jij) braadde
(u) braadt(u) braadde
(gij) braadt(gij) braaddet
(hij) braadt(hij) braadde
(wij) braden(wij) braadden
(jullie) braden(jullie) braadden
(zij) braden(zij) braadden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
brade; (gij) bradetbraadde; (gij) braaddet
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
braadbraadt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
bradend(e)(hebben) gebraden

Examples:

Diegenen die het zichzelf graag gemakkelijk maken, kunnen natuurlijk ook gewoon een stuk spek of worst op een stok prikken en braden.

Draai na vijf minuten de temperatuur terug naar 180°C en braad een half uur.

Het lam werd gebraden en gegeten met ongegist brood (matse) en bittere kruiden.

Hij bakte taarten en braadde een heerlijk stuk vlees in olijfolie met kruiden en wijn.

Voor dierlijke producten geldt dat je vooral grote stukken vlees of hele vogels, grote stukken vis of hele vissen braadt.