The conjugation of the verb braden

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) braad(ik) braadde
(jij) braadt; braad (jij)(jij) braadde
(hij) braadt(hij) braadde
(wij) braden(wij) braadden
(gij) braadt(gij) braaddet
(zij) braden(zij) braadden
Aanvoegende wijs
(ik) brade
(jij) brade
(hij) brade
(wij) braden
(gij) bradet
(zij) braden
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
braadbraadt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
bradend(e)(hebben) gebraden