blinken
Irregular forms are printed in red.

Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) blink(ik) blonk
(jij) blinkt; blink (jij)(jij) blonk
(u) blinkt(u) blonk
(gij) blinkt(gij) blonkt
(hij) blinkt(hij) blonk
(wij) blinken(wij) blonken
(jullie) blinken(jullie) blonken
(zij) blinken(zij) blonken
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) blinke(ik) blonke
(jij) blinke(jij) blonke
(u) blinke(u) blonke
(gij) blinket(gij) blonket
(hij) blinke(hij) blonke
(wij) blinken(wij) blonken
(jullie) blinken(jullie) blonken
(zij) blinken(zij) blonken
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
blinkblinkt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
blinkend(e)(hebben) geblonken

Examples:

  • Als toen ge als lieve bruid in het kleed der onschuld blonkt.
  • Blinkende voorwerpen bezitten vanouds in het volksgeloof een onheil afwerende kracht.
  • Goud blijft blinken.
  • Het is niet alles goud wat er blinkt.
  • Ik blonk op de middelbare school echt niet uit.
  • Meer dan 3000 jaar lang blonken de Egyptenaren uit in het balsemen en mummificeren van hun doden.
  • Vanzelfsprekend blink je uit in trainen en presenteren.