The conjugation of the verb blinken

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) blink(ik) blonk
(jij) blinkt; blink (jij)(jij) blonk
(hij) blinkt(hij) blonk
(wij) blinken(wij) blonken
(gij) blinkt(gij) blonkt
(zij) blinken(zij) blonken
Aanvoegende wijs
(ik) blinke
(jij) blinke
(hij) blinke
(wij) blinken
(gij) blinket
(zij) blinken
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
blinkblinkt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
blinkend(e)(hebben) geblonken