blijken
Irregular forms are printed in red.

Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) blijk(ik) bleek
(jij) blijkt; blijk (jij)(jij) bleek
(u) blijkt(u) bleek
(gij) blijkt(gij) bleekt
(hij) blijkt(hij) bleek
(wij) blijken(wij) bleken
(jullie) blijken(jullie) bleken
(zij) blijken(zij) bleken
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) blijke(ik) bleke
(jij) blijke(jij) bleke
(u) blijke(u) bleke
(gij) blijket(gij) bleket
(hij) blijke(hij) bleke
(wij) blijken(wij) bleken
(jullie) blijken(jullie) bleken
(zij) blijken(zij) bleken
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
blijkend(e)(zijn) gebleken

Examples:

  • De erosie blijkt in de loop van de tijd niet altijd even snel te zijn geweest.
  • De verbeterde standaardmethode komt erop neer dat aan alle activa en niet uit de balans blijkende verplichtingen risicogewichten worden toegekend.
  • Er bleek niet zoveel bijzonders aan de hand te zijn met de pony.
  • Ik blijk steeds vaker dingen te merken die anderen niet doorhebben.
  • In de hortus stond een mooi ogend, dicht vertakt struikje met kleine flessegroene, puntige blaadjes die bij aanraking vlijmscherp bleken te zijn.
  • In de praktijk blijken echter weinig consumenten te weten waaraan een beveiligde transactie te herkennen is.
  • Op de heilige berg Gods bleekt gij te zijn.
  • Toch zou gebleken zijn dat beide systemen technisch gezien naast elkaar kunnen gebruikt worden.