The conjugation of the verb blijken

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) blijk(ik) bleek
(jij) blijkt; blijk (jij)(jij) bleek
(hij) blijkt(hij) bleek
(wij) blijken(wij) bleken
(gij) blijkt(gij) bleekt
(zij) blijken(zij) bleken
Aanvoegende wijs
(ik) blijke
(jij) blijke
(hij) blijke
(wij) blijken
(gij) blijket
(zij) blijken
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
blijkend(e)(zijn) gebleken