The conjugation of the verb blazen

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) blaas(ik) blies
(jij) blaast; blaas (jij)(jij) blies
(hij) blaast(hij) blies
(wij) blazen(wij) bliezen
(gij) blaast(gij) bliest
(zij) blazen(zij) bliezen
Aanvoegende wijs
(ik) blaze
(jij) blaze
(hij) blaze
(wij) blazen
(gij) blazet
(zij) blazen
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
blaasblaast
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
blazend(e)(hebben) geblazen