binden
Irregular forms are printed in red.

Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) bind(ik) bond
(jij) bindt; bind (jij)(jij) bond
(u) bindt(u) bond
(gij) bindt(gij) bondt
(hij) bindt(hij) bond
(wij) binden(wij) bonden
(jullie) binden(jullie) bonden
(zij) binden(zij) bonden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) binde(ik) bonde
(jij) binde(jij) bonde
(u) binde(u) bonde
(gij) bindet(gij) bondet
(hij) binde(hij) bonde
(wij) binden(wij) bonden
(jullie) binden(jullie) bonden
(zij) binden(zij) bonden
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
bindbindt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
bindend(e)(hebben) gebonden

Examples:

  • Algemene voorwaarden zijn al snel bindend.
  • Die moleculen binden zich op hun beurt aan metaalionen.
  • Een van de teugels maakte hij los en bond die met verschillende stevige knopen aan de andere teugel vast.
  • Het gebruik van deze faciliteiten en het aanbieden van werk ter beoordeling, in het bijzonder het deelnemen aan tentamens, is aan regels gebonden.
  • Nu binde men de opening met een blaas nauwkeurig dicht en late een en ander enige weken onaangeroerd staan.
  • Voorwaar, ik zeg u, al wat gij op aarde bindt, zal gebonden zijn in de hemel, en al wat gij op aarde ontbindt, zal ontbonden zijn in de hemel.
  • Ze namen Wilkes zijn eigen wapens en die van Lefty weer af en bonden hem aan handen en voeten.