The conjugation of the verb binden

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) bind(ik) bond
(jij) bindt; bind (jij)(jij) bond
(hij) bindt(hij) bond
(wij) binden(wij) bonden
(gij) bindt(gij) bondt
(zij) binden(zij) bonden
Aanvoegende wijs
(ik) binde
(jij) binde
(hij) binde
(wij) binden
(gij) bindet
(zij) binden
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
bindbindt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
bindend(e)(hebben) gebonden